Ana səhifə

De winterslaap van het Servische voetbal – 22/01/08


Yüklə 16.88 Kb.
tarix26.06.2016
ölçüsü16.88 Kb.
De winterslaap van het Servische voetbal – 22/01/08

De voetbalsport heeft in Centraal Europa veel aan glans verloren. Ooit waren er hoogtijdagen, met de Europa Cup I-winst van Rode Ster Belgrado in 1991. Nu zijn de stadions leeg, de spelers van laag niveau en zijn de grootste daden die van hooliganisme. In drie delen een winterse illustratie van de sport in Servië: een voetbaldwerg die ooit een voetbalgrootheid was. Vandaag:



DEEL1: Schetsen van het verleden

“Zoals vijftien jaar geleden wordt het nooit meer.” Ditmaal is het de guitig uitziende Marko met Rode Ster Belgrado-sjaal die het zegt, maar het zou net zo goed een andere willekeurige voetbalsupporter in de Servische hoofdstad kunnen zijn. Langzaamaan is zelfs bij de hardnekkigste supporter het gevoel gaan leven dat ze liefhebber zijn van een sport die in Servië op z’n gat ligt. Marko: “Onze nationale competitie is een lachertje.”

Ongeduldig ijsbeert hij achter het bushokje of steenworp afstand van het ‘Marakana’-stadion van Rode Ster. Babyface Marko, zijn terugtrekkende haarlijn verraadt dat hij minstens eind twintig is, houdt in zijn rechterhand een tasje met daarop het Crvena Zvezda (Rode Ster) logo. Onder zijn rusteloze geslenter wiebelt het tasje met de zojuist verkregen producten uit de fanshop gretig heen en weer. “Een Rode Ster mini-balletje,” verklaart hij de inhoud. “Een kadootje.”

Marko is geen uitzondering, eigenlijk is bijna iedereen wel supporter in sportstad Belgrado. Is het niet van de voetbalsport, dan wel van basketbal, handbal of volleybal. Zoals een fan van Partizan Belgrado me eens vertelde; “In Belgrado is 50% van de mensen fan van Rode Ster, 35% van Partizan en de rest van een andere club of sport.” Ondanks dat de stad en het land een groot voetbalhart hebben, worstelen ze met de sportieve kant van hun bestaan. Met het uiteenvallen van het Joegoslavische rijk versplinterde de grote voetbalcompetitie in veel minder indrukwekkende divisies. Met de terugval van de kwaliteit kiezen steeds meer supporters ervoor om de samenvattingen thuis op de bank te bekijken, ze hebben de ooit beruchte stadions hun rug toegekeerd. Voetbal in Servië verkeert in een diepe winterslaap.



Glimmende herinneringen op rood velours

Achter een muur van beschermend glas op een heuvel van dieprood velours worden de honderd belangrijkste bekers getoond die Rode Ster heeft gewonnen. Op de top van de heuvel staan de Wereldbeker en een replica van de Europa Cup I van 1991 het meest te glinsteren van allemaal. Het is de plek waar het oog van iedere bezoeker naartoe getrokken zal worden, bij binnenkomst in het museum van de club direct onder de West-tribune. Duizenden bekers, bekertjes, medailles, plakkaten en foto’s omsingelen de rode heuvel, vaak begeleid door een beschrijvende tekst in het Servisch-Cyrillisch.

“Als de UEFA een ranglijst van voetbalmuseums bij zou houden, denk ik dat wij in de top drie zouden staan.” Een dun, breeduit lachend mannetje van begin dertig slalomt zich een weg tussen de trofeeën door mijn kant op, en stelt zich voor als de museumgids, Pedja Trkulja. Bij het zien van mijn kladblok is zijn eerste reactie om een propagandistisch praatje te houden over de grootsheid van zijn club. Ik besluit hem even zijn gang te laten gaan. Terwijl hij een rondleiding geeft langs het veelal brons en zilver ratelt hij door over de grootste prestaties, de meeste prijzen en de beste aanhang.

“Ik was zelf bij de halve finale in 1991 tegen Bayern Munchen, in dit stadion. Ze zeiden dat wie de halve finale zou winnen, ook het toernooi zou winnen. Het was één van de mooiste momenten van mijn leven. Ik krijg er nu weer kippenvel van, zie je? Ik was toen nog een puber, maar herinner me nog dat de sfeer ongelooflijk was. Volgens mij kon Bayern daar geen moment het gevoel hebben dat ze gingen winnen.” Trkulja staart me aan, alsof hij me het liefst beet zou grijpen en naar 1991 mee zou nemen om me te laten zien wat hij bedoelt. “Geloof me, het was uniek.”



Toen en nu/water en vuur

Weer terug op aarde, weggesleurd uit zijn hemelse gedachtegang, verandert zijn brede glimlach in een serieus gelaat dat zó op een schoolmeester zou passen. “Er zijn de laatste jaren weinig bekers bijgekomen. De kwaliteit vergelijken met nu?” Hij lacht spottend. “Het zou hetzelfde zijn als water en vuur vergelijken.” We lopen langs een plakkaat waarop de grootste wedstrijden wat betreft toeschouwersaantallen worden gepresenteerd. Bovenaan staat de wedstrijd tegen het Hongaarse Ferencvaros in 1975, er zaten toen 96.070 toeschouwers in het ‘Marakana’ gepropt. Op plaats drie staat de Europa Cup I-finale van 1973 vermeld; Ajax - Juventus 1-0, 91.654 toeschouwers. “Dit seizoen trekken we gemiddeld 9.000 toeschouwers,” zegt de museumgids als hij snel doorloopt.

“De oorlog heeft ook het voetbal vernield. In Joegoslavië hadden we één van de sterkste competities van Europa. Met de ‘grote vier’; Rode Ster, Partizan, Hajduk Split en Dynamo Zagreb. Nu trekt de Servische competitie geen spelers meer aan. Vanwege de slechte economische situatie trekken goede spelers steeds vaker en sneller naar het buitenland.” Hij loopt naar een teamfoto van eind jaren ’70. Onder meer Dragan Dzajic en Vladimir Petrovic poseren trots in het rood-wit van hun club. “Vroeger was er een wet, die verbood dat spelers voor hun 28e naar het buitenland gingen. Nu gaan de beste spelers al als ze 18 of 19 zijn. En eigenlijk neemt niemand het ze echt kwalijk, ook de harde kern, de Delije, niet. Als ze ergens anders nu eenmaal een beter leven kunnen hebben….”

“Ik denk dat het nooit meer zoals vroeger wordt,” bromt ook Trkulja teleurgesteld, terwijl hij naar het hoogste platform op de rode heuvel wijst. “Of die wet zou terug moeten komen.” Hij leidt me uit het glimmende museum van brons en zilver, door catacomben met wegrottend beton en over hevig corroderende trappen weer terug naar de receptie, vol met sprankelend marmer en ingericht met ruime leren banken. Het oog wil immers ook wat.



DEEL2: ‘Naar het stadion gaan moet weer leuk en veilig zijn’

“Da!,” klinkt het nors van de andere kant van de deur. Bij binnenkomst in het luxe kantoor word ik echter uitbundig begroet door een strak in het pak gestoken man, wiens kleding de inactiviteit na diens sportcarrière niet geheel kan verhullen. “Zoran, aangenaam.” Zoran Cvetanovic speelde ruim vier seizoenen voor ‘zijn’ club, Partizan Belgrado, en heeft naar eigen zeggen een ‘Partizan-hart’. “’Je bent geen fan van Partizan, je houdt van Partizan’, zoals de Servische dichter Dusan Radovic schreef.” Zoals Cvetanovic het zegt geloof ik het onmiddellijk. Gezien zijn serieuze blik toen hij het zei, zou ik zelfs schrikachtig zijn om een andere mening te hebben.

Even later leidt de oud-speler mij direct weer de trappen af die ik net heb beklommen, maar gaat door een andere deur naar buiten. “Dit is waar het allemaal gebeurt,” preekt hij als hij zijn armen spreidt in de grote leegte van het Partizan-stadion. De thuisbasis van de Partizanen zou niet Oost-Europeser aan kunnen doen. De betonnen tribunes met om de twintig meter een U-vormige toegang compleet met sintelbaan rondom het veld, een overblijfsel van de gedachte van een ‘complete sporter’ uit het Sovjet-tijdperk. Het veld zelf ligt bedekt onder een dik pak sneeuw. Het enige dat verraadt dat er zich hier daadwerkelijk een voetbalveld bevindt zijn de doelen die blijkbaar de hele winter blijven staan, en de grassprietjes die hier en daar door dooiende sneeuw zichtbaar worden.

De oorlog in de stadions

“Voorlopig hoeft er hier toch nog niet gespeeld te worden,” verdedigt Cvetanovic de zwakke staat van het veld. Winterstop. “We zijn bezig met plannen voor een nieuw stadion, maar we hebben de financiën nog niet rond. We moeten het modernste complex van Oost-Europa krijgen, een beetje zoals bij Ajax. Met 42.000 plaatsen, een dak en commercie als winkels en een bioscoop. We denken dat we daarmee betere spelers naar Belgrado kunnen krijgen, en daarmee meer supporters.”

Vooral dat laatste is een noodzaak. De tweede club van Servië trekt over het algemeen maar een paar duizend bezoekers per duel. Voor Partizan is de veteraan betrokken geweest bij het opzetten van een ‘vijf-stappen-plan’, om de club hogerop te helpen. “We willen weer iets terugkrijgen van de kwaliteit die we 20, 25 jaar geleden hadden,” zegt de vijftiger die al vanaf zijn twaalfde bij de club betrokken is, uitkomend in verschillende elftallen en functies. “Eén van de belangrijkste dingen die wij en de Servische overheid aan moeten pakken, is hooliganisme. We móeten die oorlog winnen. De supporters beschadigen de club. Van de laatste dertig Europese wedstrijden die we gespeeld hebben, zijn er bij 25 ongeregeldheden geweest. De beloven wel dat ze zich zullen beteren, maar ik geloof ze niet. Het moet weer leuk en veilig zijn om naar het stadion te gaan, zodat we ook weer ouders met kinderen op de tribunes tegen kunnen komen.”

Het is niet moeilijk ongeregeldheden rond de Belgradose voetbalwereld naar boven te halen. Zo werd Partizan dit seizoen uit het Europese bekertoernooi gezet na het duel tegen het Bosnische Zrinjski Mostar in juli. Bij die wedstrijd zorgden gewelddadige Partizan-fans, de ‘Grobari’ of begrafenisondernemers, voor 36 gewonden. Afgelopen december vond er nog een agent bijna de dood toen hij van dichtbij door de Rode Ster ‘Delije’ van dichtbij werd aangevallen met vuurpijlen tijdens de wedstrijd Rode Ster tegen Hajduk Kula. Het geweld is té verbonden met voetbal om gemakkelijk te kunnen verdrijven, de geschiedenis van voetbalgeweld gaat daarvoor te ver terug.



Arkan en de gezamenlijke vijand

Voetbal ís oorlog, in Servië in extreme zin. Als ik even later in het nabijgelegen Marakana-stadion van Rode Ster sta, herinnert niets aan voetbalgeweld of conflict. Hier alleen maar sneeuw, met daaronder eindeloze rijen stoeltjes en een eenzame, bijna benauwende stilte. Toch is dit de plaats waar op 22 maart 1992 een gebeurtenis plaatsvond die nu vooral bekend staat als perfecte illustratie van de macht van Servische voetbalhooligans.

Op die dag begon de derby Rode Ster tegen Partizan als elke andere, met spreekkoren over en weer. Plots viel er een stilte in het stadion, en keken beide supportersgroepen naar de Noord-tribune. Daar positioneerde een groep Servische paramilitairen zich; de ‘Tijgers’ van oorlogskrijger Zeljko ‘Arkan’ Raznatovic, oftewel een groep van de bloeddorstigste supporters van beide clubs. Eén voor één hielden ze borden omhoog; ’20 kilometer tot Vukovar’, ’10 kilometer tot Vukovar’, ‘Welkom in Vukovar’. En vervolgens meer borden, ieder met de naam van een Kroatische stad die was gevallen voor het Servische leger. Het vervolg van de wedstrijd had weinig meer met voetbal van doen. De rood-witte en zwart-witte supporters maakten de negentig minuten vol als één groep, strijdliederen zingend tegen één gezamenlijke vijand; de Kroaten. Arkan’s tijgers zouden in Bosnië en Kroatië een bloedige rol in de oorlog spelen.

Staande in de enorme ruimte, alleen gevuld met ijzige mist, gaat er even een rilling over mijn rug. De stilte bekruipt me. Ik draai me om richting de donkere maar toch beschermende catacomben van het Marakana.



DEEL3: De malaise van een oud-kampioen

Het motto ‘het oog wil ook wat’ lijkt niet te gelden voor FK Obilic, dat in 1998 nog kampioen van Joegoslavië werd. Het geld is op. Sinds de hoogtijdagen van de club, vernoemd naar een Servische gevechtsheld uit de Slag om Kosovo in 1389, heeft het behoorlijk aan glorie verloren. Het complex van de club wordt omsloten door een hek, waarvan het slot te doorgeroest blijkt te zijn om ook maar een poging te doen het te sluiten. Het clubhuis ziet er vervallen uit, enkele raampjes zijn ingegooid en niet hersteld, en zelfs een likje verf zou deze kozijnen niet meer redden. De kleedkamers houden het midden tussen rommelhok en afvalhok. Het lekkende spelerstunneltje lijkt te bezwijken onder een lading sneeuw.

Ooit waren teams bang om hier in een buitenwijk van Belgrado te moeten spelen. En niet alleen om sportieve redenen. Want ook in deze uithoek van de hoofdstedelijke voetbalsport had Arkan een flinke vinger in de pap. Een graffiti-kunstwerk op één van de buitenmuren van het complex eert de in 2000 vermoorde man zelfs nog, fier afgebeeld in legerkostuum. Arkan nam de club medio 1996 over, en toverde Obilic om in een topclub. Hij ‘maakte’ de club kampioen, en zonder hem zakte de club snel af naar de huidige derde divisie.

De weg naar het kampioenschap

De manier waarop de club haar opgang naar het kampioenschap maakte, doet minder glorierijk aan. Volgens verschillende bronnen werden spelers van de tegenpartij omgekocht, bedreigd of zelfs opgesloten tijdens wedstrijden. Veel van Arkan’s oorlogsveteranen hadden zich aangesloten bij de supporters van Obilic. Volgens de overlevering werden er vanaf de tribunes zo nu en dan zelfs vuurwapens op spelers van de tegenpartij gericht, terwijl ze hun dreigementen in zang uitten.



Het maakt Obilic niet minder trots op de grootste prestatie uit zijn geschiedenis. De nieuwe beleidsmakers van de noodlijdende ex-kampioen maken geen geheim van het grootste succes uit de clubhistorie. Nog steeds herinnert een spandoek aan de hoge metalen hekken aan het kampioenschap in 1998. ‘Wij waren de besten’, dat gevoel.


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©atelim.com 2016
rəhbərliyinə müraciət