Ana səhifə

Anatomie 1 De anatomische houding wordt als volgt gedefinieerd


Yüklə 136.17 Kb.
tarix24.06.2016
ölçüsü136.17 Kb.
ANATOMIE

1) De anatomische houding wordt als volgt gedefinieerd:

+ 4


rechtopstaand, met de armen gestrekt langs het lichaam en de handpalmen naar voor

+ -1


rechtopstaand, met de armen horizontaal gestrekt en de handpalmen naar boven

+ -1


rechtopstaand, met de armen gestrekt langs het lichaam en de handpalmen naar achter

+ -1


rechtopstaand, met de armen gestrekt langs het lichaam en de duimen naar voor

+ -1


liggend, met de armen gestrekt naast het lichaam en de handpalm naar onder

2) Welke spier hecht aan op figuur B, op de structuur aangeduid met een X ? (Linea M. solei is aangeduid met een pijl)

+ -1


de M. popliteus

+ 4


de M. soleus

+ -1


de M. flexor digitorum longus

+ -1


de M. extensor digitorum longus

+ -1


de M. flexor hallucis longus

3) In het heupgewricht:

+ -1


ontspringt het lig. capitis femoris op het lig. pubofemorale

+ -1


remt het pars inferior van het lig. van Bertin (iliofemorale) de endorotatie van de femur

+ -1


remt het lig. pubofemorale adductie van de dij

+ -1


zorgen de dorsale dijspieren voor anteflexie in de heup

+ 4


remt het pars superior van het lig. van Bertin (iliofemorale) adductie van de dij

4) Welke van de volgende ligamenten ter hoogte van de enkel is GEEN versterking van de articulatio talocruralis (bovenste spronggewricht)?

+ -1


het ligamentum deltoideum

+ -1


het ligamentum talofibulare posterius

+ -1


het ligamentum talofibulare anterius

+ 4


het ligamentum talocalcaneum interosseum

+ -1


het ligamentum calcaneofibulare

5) Welke van de volgende beweringen ter hoogte van de knie is JUIST ?

+ -1


het ligamentum cruciatum anterius hecht zich vast op de laterale zijde van de condylus medialis van de femur

+ 4


de meniscus medialis heeft de vorm van een C

+ -1


het ligamentum collaterale laterale (fibulare) maakt deel uit van het eigenlijke kapsel van het kniegewricht

+ -1


het ligamentum popliteum arcuatum is een uitstraling van de pees van de M. semimembranosus

+ -1


het ligamentum cruciatum posterius hecht zich vast op de mediale zijde van de condylus lateralis van de femur

6) Voor wat betreft de M. piriformis:

+ 4


deze spier neemt zijn oorsprong ter hoogte van de ventrale zijde van het sacrum en het lig. sacrotuberale

+ -1


deze spier insereert ter hoogte van de trochanter minor van de femur

+ -1


deze spier is een endorotator van de dij

+ -1


deze spier loopt door het foramen obturatum

+ -1


deze spier insereert op de crista intertrochanterica

7) Welke van de volgende spieren kan bijdragen tot een endorotatie van het onderbeen in de knie?

+ -1


M. quadriceps femoris

+ 4


M. gracilis

+ -1


M. biceps femoris

+ -1


M. semimembranosus

+ -1


M. adductor magnus

8) Welke spier wordt met een pijl aangeduid op figuur 3 ? (Lateraal is de M. peroneus brevis aangeduid.)

+ -1


de M. tibialis anterior, die zijn oorsprong neemt op het onderste derde van de tibia

+ -1


de M. extensor hallucis longus, die insereert op de proximale falanx van de grote teen

+ -1


de M. extensor digitorum longus, die ook op de fibula oorsprong neemt

+ -1


de M. peroneus longus, waarvan de pees loopt onder en achter de trochlea peronealis

+ 4


de M. peroneus brevis, waarvan de pees loopt boven en voor de trochlea peronealis

9) De tractus iliotibialis:

+ -1


zorgt samen met de M. tensor fasciae latae voor flexie van de knie

+ 4


neemt zijn oorsprong o.a. op peesvezels van de M. gluteus maximus

+ -1


zit via de M. tensor fasciae latae vast aan de spina iliaca posterior inferior

+ -1


insereert op het caput fibulae

+ -1


zorgt samen met de M. rectus femoris voor flexie van de knie

10) Welke van de volgende spieren neemt GEEN oorsprong op de ramus inferior van het os pubis?

+ -1


de M. gracilis

+ 4


de M. adductor longus

+ -1


de M. obturatorius externus

+ -1


de M. adductor magnus

+ -1


de M. adductor brevis

11) Welke 2 spieren zorgen er voor dat, bij het gaan, de voorwaartsbewegende voet niet over de grond sleept?

+ 4


M. gluteus medius en M. tibialis anterior

+ -1


M. gluteus maximus en M. tibialis anterior

+ -1


M. gluteus medius en M. tibialis posterior

+ -1


M. gluteus maximus en M. tibialis posterior

+ -1


M. soleus en M. peroneus longus

12) Welke stelling is JUIST in verband met de Mm. peronei of fibulares?

+ 4


de pees van de M. peroneus brevis insereert op de vijfde metatarsaal

+ -1


de pees van de M. peroneus longus loopt boven de trochlea peronealis door

+ -1


de M. peroneus longus neemt zijn oorsprong o.a. op de laterale condylus van de tibia

+ -1


de pees van de M. peroneus brevis loopt onder de trochlea peronealis door

+ -1


de pees van de M. peroneus longus insereert o.a. op de vijfde metatarsaal

13) In de voetzool wordt een chiasma plantare gevormd. Welke van volgende stellingen is FOUT ?

+ -1


in dit chiasma kruisen de pezen van de Mm. flexor digitorum longus en flexor hallucis longus

+ 4


in dit chiasma kruisen de pezen van de Mm. tibialis posterior en flexor digitorum longus

+ -1


in dit chiasma ligt de pees van de M. flexor digitorum longus het meest oppervlakkig

+ -1


dit chiasma ligt in de tweede voetzoollaag, op het niveau van de M. quadratus plantae

+ -1


de pees van de M. flexor digitorum longus loopt in de voetzool van mediaal naar lateraal

14) De N. femoralis innerveert flexoren van de heup en extensoren van de knie behalve:

+ -1


de M. psoas

+ -1


de M. iliacus

+ -1


de M. sartorius

+ -1


de M quadriceps femoris

+ 4


de M. tensor fasciae latae

15) Welke stelling is JUIST in verband met de plexus ischiadicus?

+ -1


de N. gluteus inferior innerveert de M. gluteus medius

+ 4


deze plexus ontstaat uit rami anteriores van L4 tot S3

+ -1


de eindtak van deze plexus is de N. obturatorius

+ -1


de M. soleus wordt niet door een tak van deze plexus geïnnerveerd

+ -1


de M. tibialis posterior wordt niet door een tak van deze plexus geïnnerveerd


BIOCHEMIE
BOEK 1
Zwakke krachten: multiple choice
Eiwitten: - aminozuren kunnen geven en herkennen
- hoge orde organisatie van eiwitten -> geef alfa helix of beta helix, beta turn
- allosterie
Haemoglobine en myoglobine: - leg uit myoglobine of haemoglobine
- geef het sequentieel model of het geconcerteerd model + tekening
- thalassemieen
Enzymen: - michaelis menten benadering
- enzyminhibities (overzicht is heel belangrijk)

BOEK 2
Metabolisme: - regulatie van matabole processen
- biochemische oxidatie - reductie
- overzicht van belangrijke geactiveerde dragers
Glycolyse: - zet in de juiste volgorde; hexokinase, fosfoglucoisomerase, fosfofructokinase, aldolas, triose P isomerase, glyceraldehyde 3P dehydrogenase, fosfoglyceraat kinase, fosfoglyceromutase, enolase, pyruvaat kinase
- regelingen goed kennen en de totaalreacties (worden zeker gevraagd)

Citroenzuurcyclus: - p3 transporters


- malaat -aspartaat shuttle
- alfa - glycerolfosfaat shuttle
- reactiesequentie (structuurformules!!!!)

ETS: - p3 oxidatie reductie koppels


- relatie van de verandering van de vrije energie en reductiepotentiaal
- de respiratorische keten
- ATP - synthase uitleggen
- ATP - ADP translocase

Pentose P reactieweg: - reactiesequentie


Gluconeogenese: - geef de omgekeerde weg van de glycolyse


- geef de drie belangrijkste stappen in de gluconeogenese
- lactaat en alanine -> cori cyclus
Glycogeenafbraak: - regulatorische aspecten -> fosforylase van ...
BOEK 3
Aminozuren: - essentiele en niet essentiele azn
- Ser en Thr desaminering levert recthstrekks NH4+
- glucogeen of ketogeen of allebei (kadertje invullen)

Lipiden: - VZ biosynthese


- beta oxidatie


CHEMIE

Oplossingen zie forum



CYTOLOGIE EN HISTOLOGIE
vergelijk skeletspierweefsel met glad spierweefsel
- vergelijk skeletspierweefsel met hartspierweefsel
- geef de vorming van ribosomen
- bespreek bindweefsel
- bespreek been
- leg uit rustmembraanpotentiaal
- geef de verschillende transportvormen doorheen het celmembraan en leg uit
- bespreek gewrichtskraakbeen
- bespreek glycosaminoglycanen
- wat zijn secundaire lysosomen
- bespreek eiwitsynthese
FYSICA EN BIOMECHANICA


  1. Hefboven

  2. Excentrisch of concentrisch spierwerk.

  3. Verklaar hoe het komt dat een spier een maximale excentrische kracht kan ontwikkelen in een bepaalde gewrichtshoek

  4. Shunt & Spurtspieren

  5. Ideale houding om buikspieren te trainen (Antwoord: Ruglig met Knie &Heup in 45° flexie en dan curl-up uitvoeren)

  6. gangpatroon uitleggen (uitwendig & inwendig moment)

  7. Wanneer loading respons?

  8. Toepassingen van kinematische ketens


Oefeningen:
Oefening 4 van zwaartepuntsbepaling, die van 90° Heup & knie flexie
Oefening 8 van zwaartepuntsbepaling, persoon van zit nr stand
Oefening 5 van Statica, Persoon licht voorovergebogen in hoek van x aantal graden tov horizontale, draagt gewicht van x aantal kg. (hoe schuif & compressiekracht berekenen!)


FYSICA

Hoofdstuk 6: de man met de stok


Hoofdstuk 1: projectielbeweging
regel van steiner + toepassing op kinetische rotatie energie
Stelling arbeid en energie
rollen toegepast op wet van newton

geef de wet van behoud van mechanische energie


Oefeningen:

-> 1. een bal met een massa van 1,5 kg is verbonden met twee touwen aan een draaiende staaf. Zo wordt een gelijkzijdige driekhoek gevormd met een lengte van 1,7 m. De spankracht van het onderste touw is gelijk aan 6N.


-> bereken de spankracht van het bovenste touw
-> geef de hoeksnelheid

-> 2. een skier glijdt van een schans onder een hoek van 45° en legt een afstand af van 20m. De skier is in rust wanneer hij bovenaan de schans staat. Bereken de snelheid die hij heeft bij het afstoten bovenaan de schans. Bereken dit aan de hand van de formule van behoud van mechanische energie. (K1 + U1) = (K2+U2)



Voorbeeldvragen:



REEKS 1
1) Een trein start een rechtlijnig traject met een beginsnelhied van 0,50m/s. Gedurende de eerste 2 seconden versnelt hij met 2,0m/S2. Daarna rijdt hij aan een constante snelhied gedurende 3 seconden waarna hij vertraagt met 1,5m/s2 gedurende 1,0 seconden.
a) hoeveel bedraagt de uiteindelijke snelheid van de trein?

b) hoeveel bedraagt de gemiddelde versnelling?

c) hoeveel bedraagt de gemiddelde versnelling tussen de tijdstippen t=2s en t=6s?
Oplossing

a) v=vo + at

v= 0,50 + 2,0 x 2

= 0,50 + 4,0 = 4,5m/s

v= vo + at

v= 4,5 + (-1,5) x 1,0s

= 4,5 - 1,5

= 3,0m/s


->uiteindelijke snelheid van de trein is 3,0m/s na 6 seconden
b) gemiddelde versnelling -> ag

ag= ∆v/∆t -> v2- v1/ t2-t1 = 3,0 - 0,5/6

ag = 0,42 m/s2
c) hier vertrekt men bij 2sec dus moet je de snelheid nemen na 2sec

ag = v/t = 3,0 - 4,5/6-2 = -1,5 / 4

ag = - 0,38 m/s2
2) Een basketbalspeler wil een verticale sprong uitvoeren. Daartoe buigt hij door zijn knieën zodat zijn massamiddelpunt met 30cm verlaagd wordt. Wanneer hij naar de bal springt bereikt zijn massamiddelpunt een hoogte die 90cm hoger ligt dan de normale waarde.
a) bereken de snelheid die de speler heeft op het ogenblik dat zijn voeten de grond verlaten?

b) bereken de versnelling die hij nodig heeft om de bovenstaande snelheid te bereiken in de veronderstelling dat de versnelling constant blijft in de takeoff-fase.
Oplossing:

a) geen normale lineaire beweging:

v =√2gh = √2 x 9,81 x 0.90 m

= 4.2m/s
b) hier beginnen met derde basis formule

-> hier moet men twee formules gebruiken want men moet snelheid, hoogte en plaats combineren

-> v2 = v20 + 2a ( x-xo)

v = √2gh -> v2 = 2gh
v2o + 2a ∆y = 2gh

2atd = 2gh

at = gh/ d = 29,4 m/s2
3) Een voorwerp valt van een 45m hoge brug rechtstreeks in een boot die zich op de rivier eronder bevindt. Hoeveel bedraagt de snelheid van de boot als deze zich met een constante snelheid voortbeweegt en nog 12 m verwijderd was van het punt van impact op het ogenblik dat het voor werp losgelaten werd?
Oplossing:


  • boot heeft een constante snelheid

  • v = ?

1) tijd die het voorwerp nodig heeft om 45m naar beneden te vallen

t = √2h/g = √2,45 / 9,81 = 3,02s

v= ∆x/∆t => v = 12m/3,02s = 3,97m/s
4) Een steen wordt omhoog gegooid met een snelheid van 12m/s vanaf de rand van een klif die 70m hoog is.
a) bereken wanneer de steen de voet van de klif bereikt

b) bereken de snelheid van de steen net voor hij de grond raakt

c) bereken de totale afgelegde weg door de steen
Oplossing:

a) v = √2gh -> h = v2/ 2g = 122 / 2 x 9,81 = 7, 3 m

maar h = 77,3m


  • v = vo – gt -> t = vo/g -> 12m/s / 9,82 = 1,2 s

  • t = √2h / g = √2 x 77,3 / 9, 81 = 4s

t = 1,2 s + 4 s = 5,2s
b) v = √2 x g x h -> v = √2 x 9, 81 x 77,3 = 38,9 m/s


  1. 7,3m + 77,3 = 84,6m


5) Een tennisbal wordt horizontaal opgeslagen met een snelheid van 30m/s op een hoogte van 2,4m boven de grond. Het net is 12m ver en 0,9m hoog.


  1. Zal de bal over het net geraken?

  2. Waar komt de bal terecht?


Oplossing:

a) v = ∆x/∆t

-> t = x/v = 12m/30m/s = 0,4s

-> t = √2h/g => h = t 2 x g / 2 = (0,4)2 x 9,81 / 2 = 0,7848

-> 2,4 – 0,8 = 1,6 -> dit is de hoogte van de bal boven het net => dus hij kan over het net

b) de max hoogte van de bal is 2,4 dus te vergelijken met een verticale worp

-> t = √2h/g => t = √2 x 2,4 / 9,81 = 0,7 s

-> v = ∆x/∆t => ∆x = v x t => 30m/s x 0,7s = 21m


6) Een meisje gooit een bal naar een verticale muur 4m van haar verwijderd. De bal bevindt zich op een hoogt van 2m boven de grond als hij de hand van het meisje verlaat met een beginsnelheid van vo = 10i + 10j m/s. Wanneer de bal de muur raakt wordt de horizontale component van de snelheid omgekeerd terwijl de richting van de verticale component onveranderd blijft. Bereken op welke afstand van de muur de bal de grond raakt.
Oplossing:

-> langs x-as: vx = vox + axt


x = xo + voxt + 0,5 axt2

-> langs y-as: vy = vo + ayt


y = yo + voyt + 0,5ayt2

* x = xo + voxt + 0,5axt2

 t = x/vox = 4/10 = 0,4s

* y = yo + voyt + 0,5ayt2

= 2 + 10 x 0,4 – 0,5 x 9,81 x 0,42

= 5,2152m


vx = vox + axt

= 10m/s


vy = vo + ayt

= 10 – 9,81 x 0,4

= 6,076m/s

y = yo + voyt + 0,5ayt2

o = 5,2151 + 6,076t – 0,5 x 9,81 x t2

o = -4,905t2 + 6,076t + 5,2151

t = 1,822s

x = xo + voxt + 0,5axt2

= 4 – 10 x 1,822

= -14,22


x totaal = 4 – (-14,28) = 18,4m
7) Een helikopter vliegt horizontaal op een hoogte van 78m aan een snelheid van 215km/h. De piloot wil een pakket droppen in een open wagen die met een snelheid van 155km/h in dezelfde richting op een snelweg rijdt. Bereken onder welke hoek met de horizontale de piloot de wagen moet zien op het ogenblik dat hij het pakket dropt? De luchtweerstand wordt verwaarloosbaar verondersteld.
Oplossing:

-> eerste de tijd berekenen dat pakje valt


t =√2h/g = √2,78/9,81 = 3,987 = 3,99s
-> tweede afstand dat het pakje en auto in 3,99s afleggen
v = ∆x/∆t => x = v x t

-> pakje: 215 / 3,6 x 3,99 = 238,3m

-> auto : 155/3,6 x 3,99 = 171, !m
-> hoek α = 90°β

tan β = 66,5m/ 78m = 0,8525

β = 1/ tan 0,8252

β = 40,44°

α = 90° - 40,4° = 49,6°

8) Bij een bergwandeling moet een persoon een ravijn overbruggen. Om dit te bewerkstelligen sprint de persoon naar de overkant met een horizontale snelheid. Die overkant ligt 2,75m lager en 4,10m verder in horizontale richting.


  1. welke minimale snelheid is er nodig opdat de persoon veilig de overkant beriekt?

  2. Indien de persoon aanspringt met een snelheid van 6m/s, waar komt hij dan aan de overkant neer?

  3. Hoeveel bedraagt in geval b) de landingssnelheid?


Oplossing:
a) vox = x √g/2h

vo = 4,0m x √9,81/ 2x2,75 = 5,48 m/s

b) vox = 6,0m/s

vox = x √g/2h x = vox x √2h/g

= 6,0m/s x √2 x 2,75/9,81

= 4,49 m


c) t = 4,5/6,0 = 0,75

v = gt/2 + vo = 9,81 x 0,75/2 + 6 = 9,7m/s


9) Een kogelstoter behaalt een worplengte van 6m. Op het ogenblik dat de kogel gelanceerd wordt onder een hoek van 30° met de horizontale, bedraagt zijn hoogte 1,!m boven het grondniveau. Bereken de snelheid waarmee de atleet de kogel wegstoot, de snelheid van de kogel op het ogenblik dat hij de grond raakt en de totale tijd die de kogel in de lucht doorbrengt. Verwaarloos de luchtweerstand.
Oplossing:
Bij dit vraagstuk gebruik je de formules van een asymmetrische parabool omdat de kogel lager valt dan van waar hij geworpen wordt.
a) y = (tanθo)x – ½(g/vo2 x cos2 θo) x2

x = 6 en y = - 1,8

y – (tanθo)x = – ½(g/vo2 x cos2 θo) x2

2(y-( tanθo)x/ x2 = - g/ vo2 x cos2 θo

vo2 = - g/ cos2 θo x 2(y-( tanθo)x/ x2

vo2 = 9,81 / cos230° (2 x (-1,8 – (tan 30°) x 6)/36)

= 44,73

vo = √44,73 = 6,69m/s



b) T = vo sinθo + √(vo sin θo)2 + 2gh /g

= 6,7 sin 30° + √(6,7 sin 30°)2 + 2 x 9,81 x 1,8/9,81

= 1,036s

c) vx = vo cos θo -> 6,7 cos 30 = 5,80

vy = vo sin θo – gt -> 6,7 sin 30 – 9,81 x 1,04 = - 6,85

v = √(vx)2 + (vy)2

= √(5,80) 2 + (-6,85) 2

= 8,975s


10) Een duiker duikt van een duikplank die zich op een hoogte van 10m boven het wateroppervlak bevindt. De duiker komt na de sprong in het water terecht op een horizontale afstand van 5m vanaf het uiteinde van de duikplank. Indien de totale tijd van de duiker in de lucht 2,5s bedraagt bereken de snelheid en de hoek met de horizontale van het zwaartepunt van de duiker bij de afstoot. Verwaarloos de luchtweerstand.
Oplossing:
=> x = (vo cosθo)t

y = (vo sinθo)t – ½ gt2


vo = x/ t cosθo

=> y = (x sin θo/ t cosθo)t x 1/2gt2

y = x tan θo – 1/2gt2

tan θo = y + (gt2/2) / x

= - 10 + ( 9,81 x (2,5)2/2)/5

= 4, 13125

θo = 1/ tan 4, 13125

= 76,4°


-> vul dit nu in in vgl 1 en dan bekom je vo

vo = x/ t cosθo = 5/2,5 cos 76,4° = 8,505 m/s


11) Een golfer slaat een golfbal weg met een snelheid van 30m/s onder een hoek van 50° boven de horizontale. De bal landt op een grasmat die 5m hoger ligt dan de startplaats.


  1. hoe land is de bal in de lucht?

  2. Hoe ver in horizontale richting komt de bal neer?

  3. Bereken de grootte en de richting van de snelheid van de bal net voor hij landt?

  4. Hoe lang is de bal in de lucht indien de landingsplaats nu 5m lager ligt dan de startplaats?


Oplossing:
a) T = vo sinθo + √(vo sin θo)2 + 2gh /g

= 30 sin 50° + √(30 sin 50°)2 + 2 x 9,81 x – 5 / 9,81

= 4,5s

b) R = vo2 sin θo cos θo + vo cosθo √(vo sin θo)2 + 2gh/g



= 302 sin 50° cos 50° + 30 cos 50° √(30 sin 50°)2 + 2 x 9,81 – 5/9,81

= 86m


c) vx = vo cos θo

vy = vo sin θo – gt

vx = 19,283

vy = -21, 163

v = √(vx)2 + (vy)2

= 28,6 m/s


tan α = vy/vx

= - 1, 097

α = 1/ tan – 1, 097

= - 47°


d) zelfde formule als bij a alleen nu 5 ipv -5

T = vo sinθo + √(vo sin θo)2 + 2gh /g

= 30 sin 50° + √(30 sin 50°)2 + 2 x 9,81 x 5 / 9,81

= 4,9 s


REEKS 2
1) bereken de versnelling van een persoon die zich op de 40ste breedtegraad op de aarde bevindt (de straal van de aarde bedraagt 6370km)
Oplossing:

1 omwenteling in 24u


2 ПR 24 x 3600s= 86400s

cos 40° 6370 = 4880

acp = v 2 / r

v = 2 ПR/T

= 2 x П x 4 880 000

= 354


a= (354)2 / 4880 x 10000

= 0,026 m/s2


2) Oplossing:
acp = v 2 / r

= (17)2/65

a = 4,446m/s2
Σfi = ma

N – G = ma

N = ma + mg

= 80 x 4,446 + 80 x 9,81

= 1140 N
3) Oplossing:
ΣF = ma voor de yo-yo : F + mg = ma

x-as: Tsinθ = max

y-as: Tcosθ – mg = O => Tcosθ = mg

ax? => x-as/y-as => Tsinθ = max/ Tcosθ = mg

tgθ = ax/g => ax = gtgθ = 3,96m/s2

T? => T = mg/cosθ = 0,423N

T>mg want het touw zorgt niet alleen dat de yo yo niet valt maar daarenboven ook dat hij versnelt in de horizontale richting
4) Oplossing:
sin 60° = r/a

r = 1,47m

a) spankracht in het onderste touw:

=> T + T’ + mg = ma

x-as: -Tcosθ – T’cos θ = maR = mV2/r (*)

y-as: -mg – T’sinθ + Tsinθ = 0

=> T’ = 8,7N

b) nettokracht

x-as : -Tcosθ – T’cos θ = -37,8N

y-as: netto = 0

=> nettokracht is in grootte 37,8N en is gericht naar binnen toe
c) snelheid

in (*) => 35cos 30° + 8,7cos 30° = mv2/r

=> V = 6,44m/s
5) Oplossing:
a) ΣF = Fop – mg = ma

Fop = ma + mg

= 8900kg x 0,80m/s2 + 8900KG x 9,81kg

= 9,44 x 104N

b) spanning in de kabel

Fkoph = mg

= 1250kg x 9,81N/kg

= 1,23 x 104N


6) Oplossing :
FN + fk + mg = ma

Fk = constant => a is constant

ΣFx = max => -fk = max

Σfy = may => Fn – mg = o => Fn = mg

en fk = μk Fn = μk mg = -max

of μk = -ax/g

kinematica: v2 = v02 + 2ax∆x = 0 en vo = 3,5m/s

stel => v = 0 => a0 = -v02/2∆x = -(3,5)2/2 x 2,8 = -2,19m/s2



  • μk = -ax/g = 2,19/9,81 = 0,223

7) Oplossing:


N + mg + Fw = ma

x-as: -Fw = max

y-as: N – mg = 0 => N = mg

fs = μsN = μsmg = max

-μs = max/mg
a) -μs = ax/g

a = - μs x g

= 0,5 x 9,81 = -4,9

t=? V= vo + at

t = -vo/-a

= 30/4,9 = 6,1s

x = x0 + vot + 1/2at2

= 30 x 6,1 + ½ x (-4,9) x (6,1)2

= 92m
b) –μk = max/mg

-a = μk x g

= 0,3 x 9,81

= -2,943
t= vo/a

= 30/2,943

= 10,19s


x = x0 + vot + 1/2at2

= (30 x 10,19) + (1/2 x (-29) x (10,19)2

=152,9m
8) Oplossing:
Newton: Fn + F + mg + Fw = ma

x-as Σfx = -Fw + Fx = max

-Fw + F cos 30° = max

y-as: Σfy = Fn – mg – Fy = 0

Fn = mg + Fy Fy = Fsin30°

= mg + Fsin 30°

FW = Fcos30°

Fw = Fcos 30° = μsFn

Fcos 30°= μs(mg + Fsin30°)

Fcos 30°= μs mg + μs Fsin30°

F(cos 30° - μs sin30°) = μs mg

F = μs mg/cos 30° - μs sin30°

0,2 x 50 x 9,81/ cos 30° - 0,2 x sin 30°

= 128,06N


9) Oplossing:
/
10) Oplossing:
Newton: N + T + mg + f = ma
a) T = 100 N

fsmax = μsN

ΣFx = Tcos 40° - f = max

Σfy = T sin40° + N – mg = 0

=> N = mg – Tsin 40° = (45 + 5) x 9,81 – 100 sin 40° = 426N

=> fs,max = 0,2 x 426 = 85,2N

Tcos 40° = 100cos40° = 76,6N

=> Tcos 40° slee nog niet weg


b)T = 140N => Tcos 40° = 107N dan fs max

Tsin 40° = 90N

Σfy = Tsin40° -mg + N = 0 => N + 400N of fs,max = μsN = 0,2 x 400 = 80N

Tx > fs,max => slee glijdt => fk



  • fk = μkN = 0,15 x 400 = 60N

  • en ΣFx = T cos 40° - fk = max
    ax= 107 -60/45+5 = 0,94m/s2

12) Oplossing:


m = 25kg

1 omwenteling = 2Пrad in 1,5s

W = 2П/1,5 = 4,2 rad/s

v = Wr = 2П/1,5 x 0,75 = 3,14m/s


Newton: T + G = ma

x-as: Tcos θ =max = macp (1)

y-as : Tsinθ – mg = may = 0 => Tsin θ=mg (2)

(2) / (1) = Tsin θ/ Tcos θ = tg θ = mg/macp = g/v2/R

= 9,81 x 0,75 / (3,14)2 = 0,746

tg θ = 1/ tg 0,746 θ = 36,70 => ρ = 53,3° en T = mg/sin θ = 25 x 9,81 / sin 36,7 = 410N


De rest van de oefeningen heb ik niet. Maar het principe is elke keer hetzelfde. Elke keer weer opnieuw de wet van newton toepassen, vergelijking maken en uitrekenen.
REEKS 3
1)

  1. arbeid-energie theorema

Gx enige component in x-richting

Arbeid verricht door krachtcomponent is de netto-arbeid op de skiër.
W1→2 = F. l = Gx.l.cos0°= Gx.l=Gsinϑl=mglsinϑ (*)

Arbeid-energie stelling => W= ∆K

W1→2 = Kf – Ki = ½ mv2² - ½ mv1² (**)

V2=? V1=o
(*)+(**) => mglsinϑ = ½ mv2²

V2= √2glsinϑ = 18,6 m/s





  1. behoud van energie ∆K+∆U=0

K2+U2 = K1+U1

1/2mv2²+mgh2 = 1/2mv1²+mgh1

V2=? h2=0 v1=0

1/2mv2²=mglsinϑ

V2=√2glsinϑ = 18,6 m/s


  1. beweginsvergelijking ∑F=ma

x-as: ∑Fx=max of mgsinϑ=max

=> ax = gsinϑ = constante

=> vx=axt

x=1/2axt

dus t = vx/ax => ½ ax . vx²/ax²

=> vx=√2axX=√2gsinϑl = 18,6 m/s

2) tarzanvraagstuk
In B : Newtonvgl : T+U = ma

T-mg=ma cp = m. vB²/r

T= mg+m. vB²/r

En vB= ?

vB halen uit energiebeschouwingen
Behoud van energie toepassen op situatie A en B

∆K+∆U=0


Kb-Ka+Ub-Ua=0

1/2mvb²-1/2mva²+mghb-mgha=0



Va=0 hb=0 ha=R

Door keuze van referentielijn

Vb²=2gh=2x3,2g=6,4g


Invullen in T: T=mg=m. Vb²/R =mg+ m(6,4g)/R=688(1+6,4/18)=933

4) ∆E=Wf=fk.d=fk dcos180°= - fk d

∆E=Eb-Ea


(1/2mvb²+1/2Kxb²)-(1/2mva²+1/2Kxa²)= - fk d

Blok veer blok veer

1/2Kxb²-1/2mva²= - fk d



Fk = UkN en N=mg

1/2Kxb²-1/2mva²= - Uk mgd

Va²=2. (1/2Kb²=Uk mgd)/m

Va=1,04m/s


9) Behoud van lineair moment bij situatie elastiche botsing.
Pvoor=Pna

Mv kogel + 0 = (M+m)v na

V kogel = (M+m)/m. Vna en v na=? (1)
Behoud van mechanische energie toegpast op het systeem

Kogel + blok !!!


Kf + Uf = Ki + Ui

½ (M+m)vf² + (M+m) ghf = ½(M+m)v1²+(M+m)ghi

(M+m)gh=1/2(M+m)vi²

Vi=√2gh=√2x9,81x0,063=1,11 m/s

Vi=vna => vkogel = (M+m)/m . vna = (5,4 + 0,0095)/0,0095. 1,11= 632 m/s
11) Inelastische botsing: behoud van lineair moment

mv1 + mv2 = (M+m)vf


x-as: -mv1+0=(M+m)v fx = (M+m)vf sinϑ

y-as: 0-mv2=(M+m)v fy = (M+m)vf cosϑ


v fx = (-m)/(M+m) v1 = - 0,5 m/s

v fy= (-M)/(M+m) v2 = - 2,8 m/s


vf=√vx²+vy² = 2,84 m/s

tanϑ= vfx/vfy =0,18

=> ϑ =10°
14) bereken de impuls

I = ∆p = pf – pi = mvf – mvi mvi =0

I = mvf
De snelheid die de golfbal verkrijgt op het einde van het botsingsproces is de beginsnelheid voor de projectielbeweging!!!
R = (vo²sin2ϑo)/g

=> vo = √ (gR)/(sin2 ϑo) = √(9,81x160)/1 = 39,6 m/s


I = mvf = mvo = 0,045 x 39,6 = 1,78 = 1,8Ns
Gemiddelde botsingstijd

∆t = ∆x / v = ∆x / vgemid = r/ (vf/2) = 0,002/ (39,6/2) = 0,0001 s


Gemiddelde stootkracht

(F) = I/∆t = 1,8/0,0001= 1800 N



REEKS 4
1) Eerste methode
Arm roteert

L x mg = Iα

Lmgsin(90°- φ) = I (d² φ/dt²)
Bewegingsvergelijking: I(d² φ/dt²) – mglcos φ=0

 niet eenvoudig op te lossen!


Tweede methode: energiebeschouwing
E1=E2

Mgl + 0 = 0 + ½ Iw²

=> w = √ (2mgl)/I = √ (2x3,2x9,81x0,25)/0,22 = 8,45 rad/s
b) botsing volledig inelastisch
J = ∫ F dt = ∆p

J = ∆p = pn-pvoor lineair moment


Voor botsing: v = wl => pvoor – mlw

Na botsing: v = 0 => pna = 0

Dus: J = 0 – mlw

|J| = 6,76 kgm  F ≅ 7N in 1s


2) BLOK

N+T+G = ma

x-as : -TGsin20°= max

T= -ma+mgsin20°

T= m(-a+gsin20°)
(y-as : N-Gcos20°=0)
KATROL

∑r = Iα


En a = Rx (niet slippen)

Ablok= a(wiel) = αR



  • R x T = I α

RTsin90°= I α

RT = I a/R


=> I = (TR²)/a = (m(gsin20°-a)R²)/a

I = 5,4 x 1O-a kgm²


3)
Zoek krachtmoment veroorzaakt door de spierkracht
∑τo = I α

τsp + rA x mg + rB x Mg = I α

τsp – 0,18 x mg sin 70° - 0,36 x Mg sin 70° = I α

τsp = (0,18m + 0,36M)gsin70°+(Ivoorarm+I M ) α

IM= MrB² = 3,63 α (0,36)²

τ = 55,03 Nm (krachtmoment)




  1. grootte van de spierkracht

τsp = τsp x Fsp

τsp = 0,05 x Fsp sin(180°-45°) => 1556 N
4)
Wet van behoud van angulair moment

Lvoor = L na


Lvoor = Lkogel

L na = L staaf


=> Lkogel = r x p = r x mv (voor puntmassa)

Lkogel = mrvsin60°

Lkogel = l/2 mvsin60°
=> Lstaaf = Iw (voor homogeen lichaam)

Lstaaf = 1/12 Ml²w


=> Lkogel = Lstaaf

l/2 mv sin60° = 1/12 Ml²w


of v = 1283 m/s
5)
a) hiel = contactpunt en is vast  been draait rond A

Er is geen netto krachtmoment tov. punt A  wet van behoud van angulair moment


Voor het impact (de botsing)

Li,A = r1 x pi

Li,A = Lmvo sin (90°+φ)

Li,A = α mvo cos φ


Na het impact

Lf = I w


Puntmassa: I = mR² = mL² => Lf=mL²w
behoud van angulair moment
Lmvo cos φ = mL²w

W = (vo cos φ)/L = (6 cos 35°)/1,06 = 4,6 rad/s


b) het impuls I berekenen
J = ∆p = pf – pi = mvf – mvi vi=vo
Been draait rond punt A  v van M.w

v = wr


v fx = vf cos φ = wLcos φ = vo cos² φ

v fy = vf sin φ = wLsin φ = vo cos φsin φ


=> ∆px = m(v fx – vox) = m(vo cos² φ –vo)

=> ∆py = m(v fy – voy) = m(vo cos φ sin φ – o)


∆px = -140,2Ns

∆py = 200 Ns


=> J = √ ∆ p²x + ∆p²y = 244 Ns
c) de gemiddelde vert. stoot F
Jy/∆t = 200/0,1 = 2000N
8)
w?

Imm(ring) = mr² = 0,294 kg.m²



  • na 5s: w = wo +xt

  • τ = dF =Iα  α = (dF)/ I

= 7.10-2.18/0,294 rad/s²

= 4,3 rad/s²



  • w = α.t

= 4,3 rad/s² . 5 s

= 21,5 rad/s



INLEIDENDE BEGRIPPEN IN DE REVAKI
1. Wat is het ICF? Geef de drie dimensies en leg uit, geef ook telkens twee voorbeelden van elk.
2. Wat is het doel van voor- en napalpatie? Geef de verschillen tussen de twee.
3. Wat is methodisch handelen en geeft de opeenvolgende stappen die doorlopen moeten worden.
4. Welke vragen stel je tijdens de anamnese ivm pijn?

Oefeningen:
- Spierwerk en spierbaan
(maak een tekening en leg uw redenering uit)

- casus: kapsulair probleem


geeft het actief, passief en weerstands onderzoek en leg uit waarom

OF: het omgekeerde: je krijgt het actief, passief en weerstandsonderzoek en jij moet zeggen of het contractiel, niet-contractiel of kapsulair patroon


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©atelim.com 2016
rəhbərliyinə müraciət