Ana səhifə

7. kunstbeeld = vormgevend idee (p. 8-10)


Yüklə 124.74 Kb.
tarix25.06.2016
ölçüsü124.74 Kb.
7. kunstbeeld = vormgevend idee (p.8-10)


  • sterke beeldtaal of picturale beeldtaal: wanneer we de beeldaspecten toegepast zien in de fotografie en het grafisch onderwerp.

  • de maker van vrije artistieke beelden zal gebruik maken van iconografieën (vormentaal), symboliek, attributen enz. sommigen passen een zéér eigen, persoonlijke symboliek toe die moeilijker verklaarbaar is aangezien we voor de ‘klassieke’ taal beschikken over naslagwerken per genre.

  • De toeschouwer kan dan makkelijker via info of literatuur toegang krijgen tot de impliciete betekenis van voorstellingen.

  • Het idee van de maker vertrekt vanuit een opdracht en/of een gevoel van sociale onrechtvaardigheid,een religieuze overweging,… . gelijk welke houding t.o.v de maatschappij kan vertaald worden via het beeld.

  • Een sterk fotograaf of ander kunstenaar zal zijn visie geven op de wereld gedreven door een creatieve impuls. Maar dat gebeurt niet vanzelfsprekend. Het telkens opnieuw zoeken naar het ware effect van de beeldtaal op de toeschouwer. Want het beeld is een WENK + COMMUNICATIE.

  • Alle voorstellingen leunen op de ideeënwereld van, beeldmakers die weten dat er een nauwe relatie bestaat tss VORM EN TECHNIEK.

Voorbeeld 1. HANS MEMLING De geboorte, l-zijluik van karel-v-tripiek, ca. 1470, Prado,Madrid. (p.9)




  • christelijk sfeer die gedurende 15 eeuwen Europa beheerste .

  • we zien hier vormen, personages o.a Sint Jozef, kleurensymboliek (blauw kleed voor Maria), compositiestramienen, symbolische gebaren (Jozef beschermt het kaarslicht in analogie met de houding van Maria tegenover het kind), de aanwezigheid van engelen.

  • MEMLING hanteert hier een iconografie en vormentaal die kaderen in de zienswijze t.o.v de relatie God – mens.

  • Huiselijk tafereel dat meer met een geestelijke voorstelling heeft te maken.

  • Engelen -> voorstellingen van het onzichtbare, geesten van het licht, bemiddelaars tss 2 werelden, behoren niet tot het materiële leven, hebben een vaste kleur (groen, blauw, rood-paars)


  • De idee achter dit kunstwerk is een verheven gedachte.zo kan een verlagende gedachte de mens in cintact brengen met het ideeaal. De werkelijkheid achter de werkelijkheid = de verborgen gedachten (kritiek, aanklacht,…).

Voorbeeld 2. FRANCESCO GOYA, De executie van de rebellen op 3 mei 1808, Prado,Madrid. (p.10)




  • Hier hebben we te maken met een aanklacht.

  • Het werd geschilderd uit een heftige verontwaardiging t.o.v de terechtstellingen die toen buiten Madrid plaatsvonden.

  • In tegenstelling tot het werk van Memling is hier wel sprake van een exacte tijd en plaats, waardoor het werk thuishoort in een andere ideeëncategorie.



8. kijkvragen (p11-13)


  • 6 kijkvragen:

  1. Wat is het?

    • Tweedimensionaal: foto, tekening, affiche,… . Bevindt het beeld zich op een drager?

    • Driedimensionaal: waarbij zowel hoogte, breedte als diepte per definitie deel uitmaken van de VORM: beeld, verpakking, gebouw, maquette, juweel,… .

    • Waar en hoe? Je kan nu eenmaal zowel twee- als driedimensionale werken werken vast op de grond of mobiel en zelfs in de lucht tegenkomen.

  2. Wat is er te zien?

Het is de bedoeling om zeer nauwkeurig, zonder nu al te gaan interpreteren, een opsomming te maken van de beeldelementen. Meestal doen we dit van links naar rechts, maar dat kan ook anders. Het wordt dan meteen duidelijk of we te maken hebben met een werk dat we direct kunnen herkennen als figuratief of abstract (non-figuratief, geen achtergrondfunctie). Misschien is het een tussenvorm. De beeldelementen zijn herkenbaar maar zijn vervormd, anders geordend, defiguratief. Er kan ook sprake zijn van een abstracte voorstelling en daar bedoelt men mee dat re geen verschil wordt gemaakt tussen wat voor- en achtergrond zou kunnen zijn.


  1. Wat is techniek?

    • welk materiaal gebruikte de kunstenaar? Fotografie: analoog of digitaal? Gemengde technieken bv fotografie+tekening. Tekening? Schilderij? Drukontwerp met inbreng van verschillende technieken?

    • Zijn er sporen van niet-traditioneel gebruik van gereedschap.

  2. Welke aspecten ontdek je? Wat heeft de nadruk?

    • Welke zijn de meest in het oog springende aspecten,

    • War intrigeert jou het meest? Je hebt het dan over beeldaspecten in het geval een tweedimensionale voorstelling en over vormaspectenvoor ruimtelijke voorstellingen.

ASPECTEN zijn middelen die de beeldmaker ter beschikking heeft om eerst en vooral de expliciete inhoud gestalte te geven. Het zijn ook middelen om de impliciete inhoud kracht bij te zetten door het feit dat aspecten en combinaties ervan andere beeldaspecten zichtbaar maken.

BEELDASPECTEN staan in functie van de picturale ordening.

VORMASPECTEN staan in functie van de vormelijke ordening

De relatie tss IMPLICIETE en EXPLICIETE vormgeving is bepalend voor de beeldkracht.



  1. Wat is de bedoeling van de beeldmaker? Wat is de inhoud?

Wat probeert de fotograaf, ontwerper, schilder,… duidelijk te maken?

Is er een boodschap? Is er filosofische, politieke, kritische,… geladenheid?



  1. Wat vind ik er zelf van?


9. compositie (p.14-22)


  • Welke techniek en welk onderwerp een beeldmaker ook kiest, hij moet altijd verschillende elementen ordenen tot een samenhangend geheel.

  • COMPOSEREN: houdt in dat je binnen de beschikbare ruimte de beeldelementen ordent zodat het resultaat bevredigend is in functie van :

    • harmonie en evenwicht

    • opnamehoek en standpunt

    • lijn(-en) en vlakken

    • kleurplaatsing en –keuze

    • ruimtelijk weergave (suggesties)

  • compositorisch denken kreeg een absolute wending vanaf de Renaissance.

  • per = perfectheid: begin en einde




  • = s = symbool voor de perfectie




  • + gaan samen , ideale figuren


9.1 Composeren en ruimtelijk denken.


  • Het denken over hoe een compositie er ruimtelij moest uitzien zal vanf de Renaissance veranderen

  • Middeleeuwse composities vertonen weinig of geen ruimte. Vaak gaan de verschillende ’plans’ in elkaar over als opgestapelde registers. Daardoor ervaren we ze dikwijls als tekenverhalen binnen één en dezelfde lijst.

  • Radicale frontaliteit of radicale profielen kenmerkten tot aan de Renaissance. Figuren die dikwijls tegen een egale gouden of gekleurde achtergrond werden geplaatst.

  • Vanaf de Italiaanse renaissance ( 14de eeuw) komt daar verandering in. De grote frescoschilders zullen meer waarneembare werkelijkheid uitbeelden.

  • De ingenieur-architecten uit Florence lieten in hun traktaten uitgebreide theorieën opnemen over hoe de wiskunde aan de basis ligt van de weergave zoals we de werkelijkheid zien. Wiskundig werden de formaten als “idealen formaten” berekend volgens de verhoudingen van de GULDEN SNEDE (een ideale rechthoek heeft een verhouding van 1 op 1,6). Het formaat werd begrensd door de LIJST (is niet een kader, dat wordt supplementair aangebracht).

9.2 Stramienen.


  • De berekende composities van de 15de eeuwse Italianen w.o. Pierro della Francesca en Raffaël hebben de ontwikkeling van de schilderkunstvan West-Europa beïnvloed.

  • Della Francesca past de zogenaamde “Goddelijk compositie” toe in het “Doopsel van Jezus” . deze compositie is gebasseerd op een vierkant en cirkel. Het vierkant vertegenwoordigt hier de aarde en de cirkel de hemel. Het doopsel was het moment waarop de goddelijke geest in het aardse lichaam van de zoon Jezus binnenging.

  • Bij Raffaël is er een briljante ordening van impliciete inhoud, m.n het huwelijk, en de expliciete vormgeving, m.n het monumentale landschap en de figuratie terug te vinden.

9.3 Sterke beeldpunten.


  • Vanuit het basiscompositorisch schema vinden we vrijwel direct de sterke beeldpunten terug op de snijpunten van volle diagonalen en halve diagonalen. Wanneer we deze punten horizontaal en verticaal met een lijn verbinden, dan zien de sterke beeldpuntlijn die spontaan het formaat harmonisch verdelenin 1/3de delen.


Volle diagonaal




Halve diagonaal


Midden horizontale lijn


Midden verticale lijn


  • Het doel van de IDEESCHETS (thumbnail) zowel als dat van het PRESENTATIEONTWERP/LAY-OUT zit in de volledigheid van richtlijnen naar de verdere grafische verwerking in PRESS en POST-PRESS toe.

  • Naast de ontwerper zal de DTP-er (graficus die het ontwerp uitvoert in een opmaakprogramma zoals Indesign, Quarkxpress,…) efficiënter werken vanuit een degelijk basisstramien of OPMAAKSCHEMA , ook MASTERPAGE genoemd.


9.4 Standpunt, opnamehoek.


  • Standpunt bepalen waardoor je vanuit het beeld te kennen geeft op welke verticale positie je tegenover je onderwerp stond.

  • In het geval van figuratieve voorstellingen kan dat standpunt:

      1. OP GELIJKE HOOGTE met het onderwerp : oog in oog

      2. HOGER dan het onderwerp, waarbij de kunstenaar de horizion verlaagt, VOGELPERSPECTIEF: panoramisch overzicht

      3. LAGER dan het onderwerp, waarbij de kunstenaar de horizon verhoogt, KIKKERPERSPECTIEF: indrukwekkend perspectief.


  • HORIZONTALE POSITIONERING: de opnamehoek. Deze kan een beeld weergeven waarbij de toeschouwer zich centraal t.o.v van het onderwerp voelt. Zoniet bekijkt hij het onderwerp vanuit een linkse of rechtse HOEKPOSITIE. Los daarvan blijft het standpunt variabel.

  • CAMERASTANDPUNTEN. In de filmtaal varieert de terminologie inzake camera-instelling in meerdere nuanceringen t.o.v de artistieke en fotografische terminologie.




fotografisch

Picturaal: landschap/portret

filmtaal

1. totaalopname


1. landschap

1. LS= longshot, totaalshot

2. half totaalopname

2. landschap met jager

2.LS (persoon, personen of voorwerp in de ruimte gesitueerd)

3. normaalopname

3. Mr.x … als jager

-portret ten voeten uit of staatsieportret




3. FF= full figure (volledige figuur van hoofd tot net onder de voeten)

4. plan américain of middel grootopname

4. portret op drie kwart (tussen knie en heup afgesneden)

4. WHS = wijd heupshot of dijshot

5. nabij-opname

5. portret ten halve

5. HS = heupshot (cadrage afgelijnd door het heupbeen)

6. close up of grooropname

6.busteportret (halverwege de romp afgesnede)

6. BS = borstshot

7. big close up of heel grootopname

7. detailvoorstelling

7. CU = close up (een voorwerp isoleren en de ruimte of een volledig gelaat met keel/nek aangesneden)

8. opname in kikkerperspectief

8. voorstelling met laag standpunt

8. contre-plongé

9. opname in vogelperspectief

9. voorstelling met hoog standpunt

9. plongé (duiken)




  • er is ook nog SS= schoudershot: cadrage net onder de oksels.

  • en KS = knieshot: cadrage afgesneden op de knieën.

9.5 Evenwicht en harmonie.


  • STABIELE COMPOSITIES richten zich vaak volgens horizontal en verticale accenten met gesloten lijnen, ondergeschikte kleuren en tonale contrasten die het effect van RUST oproepen. Zowel symmetrisch al asymmetrisch.

  • DYNAMISCHE COMPOSITIES volgen dikwijls een diagonale as, soms met open lijnvormen, diepe contrasten in de kleuren met lichte en donkere accenten. Beweging, activiteit en conflict zijn herkenbaar in kleur en vorm. D.C kunnen soms de neiging hebben als labiel over te komen .je merkt vlug dat er een doordachte harmonie is gerespecteerd. Het kan zelfs voorkomen dat er zuiver compositorisch geen directe harmonie of evenwicht te vinden is.

  • OVER-ALL-COMPOSITIE: het beeld komt chaotisch over en het volledige formaat is verspreid. Bij nader toezien ontdekt de waarnemer meestal een onmiskenbare ordening.


10. Ruimtelijke werking – diepte.(p.23-31)


  • Tweedimensionale voorstellingen blijven altijd SUGGESTIE.

  • De manier waarop deze ruimtelijkheid aanwezig is in het beeld kan variëren van zeer eenvoudige PLANSAMENSTELLING of COULISSEPERPECTIEF tot indrukwekkend LINEAIR PERPECTIEF.

  • Diepte kan in de tweedimensionale vormgeving betrekking hebben op:

    • de illusie van afstand en tij

    • de driedimensionale weergave van figuren (=palsticiteit) en voorwerpen

  • vooraleer stil te staan bij de theoretische lineaire perspectief kunnen we ook nog rekening houden met zeer eenvoudige contrasten die zich voor het oog van aandachtige beeldmakers voordoen.:

    • groot tegenover klein

    • donkere tegenover lichtere kleuren

    • warme tegenover koude kleuren

    • lager tegenover hoger

    • gedetailleerde vorm tegenover rudimentaire vorm



10.1 Verkorting.


  • PLASTICITEIT: figuren of voorwerpen worden als ruimtelijke volumes voorgesteld.

  • VERKORTING of VERKORT PERPECTIEF: figuren staan in een “moeilijke” pose afgebeeld. Bv: zwevend, “Di sotto in su” in indrukwekkende plafondschilderingen,… .


10.2 Lineair perspectief.


  • LINEAIR PERSPECTIEF: een method voor het weergeven van ruimte waarbij het basisprincipe luidt: wat zich veraf bevindt, wordt kleiner voorgesteldvolgens een stramien van IMAGINAIRE VLUCHTLIJNEN NAAR IMAGINAIRE VLUCHTPUNTEN op de horizon.

  • Ze gaat er van uit dat dagene wat we via onze MENSELIJKE WAARNEMING zien ook zo mag en kan weergegeven worden. Dit is een visie die diametraal staat tegenover het middeleeuwse denken. Daar telt alleen datgene war we moeten aanvaarden, wat het IS.

  • In de middeleeuwse panelen, … is er nauwelijks ruimte tss de beeldelementen. Zie voorbeeld p.25

  • Eens de theorieën en methoden van het waarnemings- of lineaire perspectief verspreid werden, zien we zelfs fanatieke toepassingen in religieuze opdrachten waarbij we ons toch de vraag mogen stellen wat de schilder nu zélf het belangrijkste doel zal geweest zijn.


10.3 Andere ruimtelijk beeldmiddelen.
10.3.1 Afsnijding


  • AFSNIJDING: een cadrage toepassen. Dat houdt in dat de werkelijkheid geïsoleerd wordt binnen de beschikbare ruimte, het formaat.

  • Bij het kijken door een fototoestel is die begrenzing steeds erg duidelijk, in tegenstelling tot onze wijze van het kijken met het blote oog. In sommige beeldresultaten lijkt het beeld ook uit het formaat te lopen, terwijl in andere werken alle beeldelementen netjes aanwezig zijn binnen de lijst.

  • Zie ook voorbeeld p.26


10.3.2 Overlapping en coulisseperspectief .


  • OVERLAPPING: meest eenvoudige vorm van ruimtelijke suggestie die je verkrijgt door het simpel over elkaar laten schuiven van beeldelementen.

  • Ruimtelijke suggestie is zeer sterk

  • Beeldelementen komen a.h.w in dialoog met elkaar en met de waarnemer.

  • Meerdere overlappingen zullen zich binnen een en hetzelfde werk meestal voordoen. Over het algemeen zullen bij een HOOG STANDPUNT alle beeldelementen zich overzichtelijk tonen, terwijl bij een LAAG STANDPUNT bijna alle beeldelementen in de overlappingen zullen schuilgaan.

  • Door het uitlokken van overlappingen ervaart de kijker een sterkere betrokkenheid bij het onderwerp.

  • Net zoals dat het geval is i.v.m. afsnijding, houdt bijna elk onderwerp uit zichzelf één of meerdere overlappingen in.

  • COULISSEPERSPECTIEF: het doet een beetje denken aan het theater waar decordelen of coulissen elkaar overlappen zodat binnen een beperkte omgeving toch een max. aan ruimte en diepte kan gesuggereerd worden.

  • CP is in feite een vorm van atmosferisch perspectief. Het is een middel tot dieptesuggestie waarbij we de voorstelling verticaal in snede verdelen zodat er een voorgrond, middengrond en achtergrond te onderscheiden vallen. We noemen deze werkwijze ook PLANOPSTELLING.

  • Zie ook voorbeeld p.28


10.3.3 repoussoir of oversnijding


  • Het gaat om een vrij eenvoudig middel tot ruimtelijke illusie dat helemaal niet nieuw is. De illusie van dichtbij en veraf wordt zo versterkt.

  • REPOUSSOIR: letterlijke “wegduwer”. Is een zeer drastische afsnijding van een beeldelement dat eigenlijk slechts als bijkomend detail fungeert. Bv : een extra boom op het voorplan in het Winterlandschap met schaatsers van Avercamp.

  • AFSNIJDING: kan toegepast worden op die beeldelemnten die deel uitmaken van de essentie van het onderwerp. Bv : bij een portretpose hebben we vanzelfsprekend met een afsnijding te maken, met uitzondering van een voorstelling ten voeten uit.

10.3.4 Atmosferisch perspectief


  • ATMOSFERISCH PERSPECTIEF: houdt rekening met de optische verschijnselen. Het geeft de indruk van diepte en ruimtelijkheid d.m.v:

    • verf: VERFOPBRENG(=IMPASTO), de dikte van de verflaag kan een rol spelen bij het ruimtelijk ervaren van een picturale voorstelling.

    • Kleuren: gaan op afstand vervagen, soms verdwijnen = TONAAL OF KLEURPERSPECTIEF. Hierbij baseert men zich op ervaring binnen de optica nl. naarmate je een landschap naar de horizon observeert, dat je in het ‘verschiet’ de kleuren ziet verbleken tot de mistige tinten of azuurblauw. Deze manier om diepte te creëren werd al in de 15de tot in de 17de eeuw toegepastvolgens een voorschrift dat de voorgronden in bruine kleuren, de middengronden in groenen, de ‘verten’ in azuurblauw en de ‘luchten’ van wit tot lichtblauw moesten geschilderd worden.

    • Bepaalde kleuren hebben een directe ruimtelijke werking: ROOD is een naar voor tredende of manifesterend kleur, vrij opdringerig en BLAUW is een wijkende, koelende kleur, neutraliseert.


10.4 Tot slot.


  • soms lijkt het alsof de schilder vele standpunten tegelijk heeft ingenomen en die verschillende perspectieven simultaan toont.

  • Zie voorbeeld p.31


11. Ritme – dynamiek-lijnspanning (p.32-35).


  • Ritme, dynamiek, lijndominantie en lijnspanning zijn factoren die een voorstelling tot een krachtige spanningsveld kunnen beïnvloeden. In een grafisch ontwerp kan dat ook door gebruik te maken van horizontale, verticale, diagonale grafische accentuering of door het plaatsen van open of gesloten lijnen.

  • Iedere lijn heeft haar eigen karakter die, wanneer ze dominant wordt toegepast , doorspeelt het geheel bepaalt. We kunnen deze dominanties ook RICHTINGSLIJNEN noemen. Soms zijn ze denkbeeldige lijnen die de kijker kan ontdekken als spanningslijnentussen figuraties.

11.1 Lijnkarakters.


  • VERTICALEN: gewichtloosheid, hoogte-diepte, vallend-stijgend, verwijzen in de religieuze kunsten naar het hemelse, en in het alg. ook naar stabiliteit en grootsheid. In de Gotiek gaat het gevoelens opwekken van spiritualiteit.

  • HORIZONTALEN: rust, wijdte, zwaarte, verwijzen meestal naar het aardse. Ze zijn expansieve bewegingen en duiden zo mogelijk op fysieke kalmte.

  • HORIZONTALEN + VERTICALEN: evenwichtigheid, uiteenlopend, samenkomend, botsend.

  • DIAGONALEN: dieptewerking, stijgend, evolutie naar een verticale voltooiing of vallend.

  • CIRKELS EN CURVEN, KROMME LIJNEN: concentratie, dynamiek, beweging. Ze nemen het oog mee naar beweging, ritmiek; kunnen soms tot een dramatische werveling leiden, geven soms het gevoel van gevangen te zitten. GEBOGEN LIJNEN kunnen passie en drama insluiten.

  • GEBROKEN LIJNEN: zijn vaak geleiders van agressie

  • Zie voorbeelden p.32-33-34-35


12. Contrasten – licht – belichting (p.36-39)


  • licht en helderheid zorgen voor structuur, contrasten, leesbaarheid en interpretatie.het is een uitermate belangrijke factor in de beeldperceptie én in de beeldsamenstelling.

12.1 Soorten licht.


  • We kunnen een onderscheid maken tussen NATUURLIJK licht en KUNSTMATIG licht.

  • DAGLICHT: gelijkmatig licht, de eigen kleur van de voorwerpen komt dan het meest tot zijn recht. Met NEONLICHT kan men daglicht nabootsen, maar het blijft een imitatie. Zodra het zonlicht gaat meespelen worden de contrasten sterker en veranderen de kleuren.

  • LICHTRICHTING: is even belangrijk als de soort van het licht zelf. Doordat het licht vanuit een bepaalde richting komt, ontstaat er een onderling verband tussen de dingen. Een NATUURLIJKE LICHTINVAL, vanuit één richting dus, zorgt voor een grote mate van realisme.

  • STRIJKLICHT: belichting waarbij de lichtbron bijna achter het belichte staat ( zijdelings) ook wel RAAKLICHT genoemd.

  • MEELICHT: lichtbron die vanuit de waarneming van het beeld een plaats gesuggereerd krijgt achter of gelijk met de toeschouwer. Zo kijkt de toeschouwer in dezelfde richting als het licht valt.

  • TEGENLICHT: de lichtbron staat recht voor de kijker, maar achter het onderwerp.

  • DOORVALLEND LICHT: sommige voorstellingen kunnen slechts waargenomen worden onder de voorwaarde van doorvallend licht: dia’s, glas - in - lood ramen, … .

  • Wanneer het licht sterk GEBUNDELD is , worden de schaduwen hard en scherp. Daartegenover worden de vormen heel zacht bij DIFFUUS LICHT.

  • In de kunst vinden we nog een ander soort natuurlijk licht: BOVENNATUURLIJK LICHT.


12.2 Schaduw en contrasten.

  • Plaats van de lichtbron is zeer belangrijk.

  • Afhankelijk van de richting en de positie van de lichtbron t.o.v het onderwerp zullen we EIGEN SCHADUW of GEWORPEN SCHADUW (=SLAGSCHADUW) zien

  • Waar licht valt, ontstaat meestal schaduw. Waar schaduw is, ontstaan er contrasten.

  • De schaduw aan de voorwerpen zelf is de EIGEN SCHADUW

  • De schaduw die “afgeworpen” wordt tegen de omgeveing, is de SLAGSCHADUW of GEWORPEN SCHADUW.

  • Wanneer de slagschaduw over meerdere voorwerpen valt, wordt deze ook GEBROKEN SCHADUW genoemd. Deze geeft soms een extra ruimtelijk karakter aan de voorstelling.

  • Je kan aan de hand van de lengte en richting van deze schaduw zien waar vandaan de lichtbron komt.

  • Als de lichtbron rakelings langsheen het voorwerp valt, zodat de geworpen schaduwen zo omvangrijk worden dat ze de achtergrond omzeggens volledig in het duister laten verloren gaan, dan kunnen we spreken van CLAIR-OBSCUUR toepassing

  • Zie voorbeeld p39.


12.3 Tot slot.


  • Het plastisch karakter van een voorstelling kan sterk verhoogd worden als je genuanceerd omspringt met licht en contrasten

  • De welving van de opp., het hol of bol zijn , de stofuitdrukking, zijn allemaal samenhangend met de behandeling van het licht en die, indien onbedachtzaam gebruikt, kunnen leiden tot totaal foutieve interpretaties.

13. Kleur.(p.40-50)


  • Kleur speelt een belangrijke rol in ons leven omdat ze onze gevoelens en onze zintuigen direct aanspreken.


13.1 De invloed van kleuren.


  • ROOD: nerveus

  • GROEN: rustig

  • ORANJE: warmer

  • BLAUW : kouder

  • We gaan snel kleuren associëren met bepaalde betekenissen binnen de maatschappij en de religie (rood=gevaar, stoplicht, in de kerkelijke ritus de kleur voor feesten van martelaren en pinksterfeest)

  • Ook de kunstenaar geeft bewust bepaalde symbolische of gevoelsmatige betekenissen aan kleuren (rood bij FRANCIS BACON en BURY als verwijzing naar bloed en lijden).


13.2 Een vernieuwende visie op kleur.


  • Met JOHANNES ITTEN (1888-1967) kwam er een nieuwe benadering van het fenomeen kleur. Kleuren werden door hem in een direct communicatief kadre geplaats. Het werd voor het BAUHAUS (1919-1933) een formule voor grafisch ontwerp.

  • Hij onderwierp alle leerlingen en hun entourage aan een prikkeltest waarbij hij kleurkaarten liet bekijken naast kaarten waarop gevoelens in termen werden uitgeschreven en meetkundige vormen waren getekend. De proefpersonen moesten uit elke categorie telkens één kaart bijeenbrengen. ITTEN nam de grootste gemene deler uit de prikkelresultaten en liet deze doorgaan als een veralgemeende connotatie.


  • GEEL = driehoek = wijsheid, wetenschap
    GROEN = afgeronde driehoek = meevoelen, sociabiliteit
    BLAUW = cirkel = deemoedigheid, vroomheid
    PAARS = ovaal = gevoelsmatige vroomheid
    ROOD = vierkant = materiële kracht
    ORANJE = trapezium = trots, zelfbewustijn



13.3 Kleur en kleur is niet steeds hetzelfde!


  • Er is meer dan alleen de KLEURWAARNEMING. Bij het verwerken van kleuren in een grafisch ontwerp is er ook het KLEURMANAGEMENT en de KLEURBEOORDELING.

  • Alhoewel het benoemen van kleuren in sterke mate cultureel bepaald is, begint onze omgaan met kleuren al van bij het naam geven. Het hangt er dus vanaf hoe je waarneemt en hoe je binnen je taal afspraken hebt leren maken

  • Meestal zien we kleur op voorstellingen als de kleur van vormen of voorwerpen bekomen door KLEURSTOFFEN en PIGMENTEN.

  • In de natuur bevat het daglicht ook kleuren, de LICHTKLEURN of SPECTRUMKLEUREN.

  • We werken in de drukkerij met GRAFISCHE KLEUREN


13.4 Kleursoorten en kleurgroepen.
13.4.1 Pigmentkleuren.


  • Verven krijgen kleur door pigmenten. Het zijn PIGMENTKLEUREN.

  • Ze kunnen van allerlei afkomst zijn: planten, mineralen, aarde,… . er worden zelfs kunstmatige kleurstoffen gemaakt

  • De benaming die men aan kleuren geeft heeft vaak betrekking op de vindplaats (terra di dienna), of de scheikundige verbinding (kobaltblauw)

  • Er zijn dekkende (gouache) en transparante (aquarel) verven.

  • Olieverf: zowel dekkend als doorschijnend net zoals bij tempera en acryl.

  • Het is het bindmiddel (water, olie, acryl, latex) dat bepaalt over welk type verf het gaat en welk verdunner men dient te gebruiken.

  • ONDERVERDELING:

    • PRIMAIRE KLEUREN: GEEL_ROOD_BLAUW(=hoofdkeuren). Wanneer we pigmentkleuren mengen, spreken we over SUBRACTIEVE MENGING.

    • SECUNDAIRE KLEUREN= de menging van twee primaire kleuren

  1. geel + rood = ORANJE

  2. rood + blauw = PAARS

  3. blauw + geel = GROEN



    • TERTIAIRE MENGINGEN zijn steeds bruinsoorten bekomen door een secundaire kleur te mengen met de ontbrekende derde hoofdkleur. Het bruin zal zo het karakter aannemen van die kleur die er het meest in vertegenwoordigt is. De menging van de drie primaire pigmentkleuren kan zelfs lijken op zwart.


13.4.2 Lichtkleuren of spectrumkleuren.


  • Wat wij wit licht noemen is in feite een samenstelling van vele regenboogkleuren. De kleur heeft daar een eigen golflengte in combinatie met de andere spectrumkleuren een ADDITIEVE MENGING geeft van wit licht.

  • Het witte zonnelicht bundelt alle kleuren (NEWTON 1643-1727) die wij op spontane wijze zien bij een regenboog, of bij het invallen van een zonnestraal op een olievlek of de parelmoeren binnenkant van schelpen.

  • Sommige lichtkleuren worden ook zichtbaar als ze door een prisma gebroken worden en op een opp. vallen.

  • Spectrumkleuren: rood, oranje, geel,groen lichtblauw, indigo, violet. De onderstreepte gedrukte lichtkleuren zijn de DRIE LICHTPRIMAIREN.

  • ADDITIEVE MENGINGEN:

    • rood + groen = geel

    • groen + indigo = lichtblauw

    • rood + indigo = violet

    • rood + groen + indigo = wit


13.4.3 RGB en grafische primairen.


  • RGB: rood, groen en blauw die we op ons computerkleurenscherm te zien krijgen. Het zijn ADDITIEVE PRIMAIRE KLEUREN omdat ze wit licht geven als ze aan mekaar worden toegevoegd.

  • De drie SUBTRACTIEVE HOOFDKLEUREN geven zwart. Onder de subtractieve kleuren behoren ook de grafische kleuren.

  • GRAFISCHE KLEUREN: de drukprimairen: CMYK: cyaan – magenta – yellow – black



  • In offsetdrukwerk zien we in de reproductie van afbeeldingen met toonmodulaties rasterpunten. Bij vierkleurendruk zullen de rasterpunten van de verschillende kleuren op sommige plaatsen naast mekaar liggen, op andere plaatsen bedekken ze elkaar zodat we kenmerkende “patronen”ontdekken, de zgn. ROSETTEN. Met het blote oog zien we vanop afstand geen puntjes meer maar zien we via optische menging het resultaat van wat we AUTOTYPISCHE MENGING noemen. Het is een samenhang van subtractie en additie. Dit kan allen op wit papier aangezien de cmyk od PROCESSCOLORS transparant zijn.

  • Dit doet denken aan pointillisme of divisionisme.

  • Bij het bekijken van een doek ziet men van op afstand dat de toetsen ineen vloeien tot een egale of vlakke kleur. De combinatie of keuze van de kleurtoetsen werd dikwijls ontleend aan de eigenschap van COMPLEMENTARITEITSCONTRAST.


13.5 Kleurcontrasten.
13.5.1 complementaire kleuren (subtractieve)


  • het zijn kleuren die op de kleurenster het meest tegenover elkaar liggen die ook het grootste contrast vormen

  • het mengresultaat van twee complementaire tinten is soms een kleurloos moddergrijs

  • de grootste kleurcontrasten kunnen elkaar versterken, maar dan is de kans reëel dat ze elkaar vernietigingen.

  • MONET zag in het systeem de sleutel voor zijn kleur- en lichtervaring.

  • Door de gedachte dat schaduw ook kleur was, werd het zwart vervangen door kleurschakeringen.


13.5.2 Warme en koude kleuren.


  • Vuur en water.

  • WARME KLEUREN: (vuur, aarde): gelen, roden, oranjes, bruinen, rood-paarsen. Warme kleuren zullen zich manifesterend gedragen binnen een beeld.

  • KOUDE KLEUREN: (water, planten) groenen, blauwen,blauw-paarsen. Zullen zich neutraliserend gedragen t.o.v de manifesterende kleuren. Een doordachte plaatsing van beide kleurkarakters zal in sterke mate bijdragen tot het picturale evenwicht binnen de voorstelling.

  • Koud – warm contrast is een gevoelswaarde

  • Warme kleuren lijken dichterbij te staan dan koude kleuren. Het effect van opdringerige warme en neutraliserende , terugwijkende koude kleuren geeft ons soms ook het gevoel van ruimte.


13.5.3 Simultaancontrast.


  • is de complementaire kleur opgeroepen wordt als we een andere kleur bekijken. De opgeroepen kleur verschijnt via onze hersenprikkels vrijwel gelijktijdig.


13.5.4 Kwaliteitscontrast / intensiteitcontrast.


  • Plaats een heldere kleur tussen een andere heldere kleur, dan zwakken ze elkaar af. Plaats je dezelfde kleur tussen gedempte kleuren, dan verhoog je de stralingskracht.

  • Door het kiezen van tonen die zeer dicht tegen elkaar liggen (ton-sur-ton) kan je variatie brengen in een anders monotoon of kleurloos beeld. enkele variaties in de monochromatische kleurkeuze kan in vele gevallen een aangename oplossing zijn. Duotonen en/of duotinten behoren tot de mogelijkheden.


13.5.5 Kwantiteitscontrast.


  • het gaat om de hoeveelheidkleur die aanwezig is. Dezelfde kleur op een klein vlak zal veel minder uitstraling hebben dan dezelfde kleur binnen een groot vlak gespreid.


13.6 Heraldiek en signaalkleuren, kleurcommunicatie.
13.6.1 Heraldiek.


  • kleuren hebben een sterke communicatieve waarden. Bv primitieve stammen gebruikte muurschilderingen of lichaamsbeschildering.

  • Tekens en kleuren waren een eerste stap naar de ontwikkelingvan wat we “heraldiek” gingen noemen.



  • Binnen de heraldiek hebben kleuren niet alleen een aparte betekenis, maar krijgen, ze een eigen benaming.:

    • rood = KEEL

    • blauw = AZUUR

    • groen = SINOPEL

    • paars = PURPER

    • zwart = SABEL

  • Onder het begrip kleur verstaat men in heraldische termen het woord email.

  • Goud en zilver zijn metalen

  • Alles staat hier in functie van een betere verstaanbaarheid, herkenbaarheid.

  • Wanneer er geen email of metaal kan gebruikt worden, wordt de kleurtoon vervangen door een grafische vertaling in RASTERSTRUCTUUR: enkele arceringen, dubbele, kruisingen in hoeken van 90° en 45°, puntjes,… .


13.6.2 Signaalkleuren.


  • Kleuren hebben een signaalfunctie: verkeer, wegenkaarten, … .

  • Doen ook emoties en gemoederen oplaaien: clubkleuren van sjaals, petten, … .

  • Ook de medische diagnostiek wordt flink geholpen door de mogelijkheden van de aanwezigheid van kleuren in scanbeelden, … .


13.6.3 Grafische kleursystemen: pms – ral.


  • PANTONE MATCHING SYSTEM (PMS): een leurensysteem dat uitgaat van negen basis – inktkleuren en waarvan een duizendtal kleuren na menging gevorms zijn.

  • Pantonekleuren worden op het computerscherm weergegeven. Het betreft hier echter een ruwe weergave zodat je moet beschikken over een PANTONE – KLEURENREFERENTIEWAAIERS.

  • Er bestaan twee soorten waaiers: één voor kleuren met een cijferaanduiding + U voor “uncoated paper” en één voor kleuren met cijferaanduiding + C voor “coated paper”.

  • UNCOATED PAPER: ongestreken, inkt absorberend papier

  • COATED PAPER: gestreken papier, mat, half – glanzend en glanzend.

  • Ieder pantonekleur kan nagemaakt worden in cmyk . Handig wanneer je wil adverteren met een vastgelegde huiskleur in een tijdschrift dat uitsluitend cmyk drukt.

  • RALSYSTEM: vooral toepassing in de verf – en lakindustriemaar ook PHOTOSHOP heet dit systeem geïntegreerd

  • Interessant voor de ontwerper is dat de basis van de PMS – en RAL – kleurenwaaiers er ook kleurstiften, zelfklevende kleurfilms en papieren bestaan.


14. Proporties (p51-53).


  • Eerste voorbeeld zie p.51.

  • Ideale verhoudingen zijn slechts referenties waarnaar we ons kunnen richten, zoniet bewust ook kunnen afwijken.


14.1 Inkrimpen.


  • Wanneer de verhouding hoofd/lichaam verlengd wordt naar 1/5 tot zelfs 1/3, dan werkt deze disproportie soms op de lachspieren, soms op het angstgevoel.


14.2 Uitrekken.


  • Een andere effect zien we wanneer de figuren in de lengte gedisproportioneerd zijn

  • Beelden krijgen een spirituelere dimensie

  • Gotische beeldmakers

  • Modetekenaars willen een elitair karakter geven aan hun figuren. Daarvoor gaan ze de onderste ledematen verlengen zodat het mode - ontwerp de volle aandacht krijgt.


14.3 De gulden sned laat ons niet los.
14.3.1 Papierformaten


  • Drukkers beschikken over papier dat iets groter is dan het standaardformaat. Deze formaten heten RUWE FORMATEN.

  • Drukker drukt op ruwe formaten en zorgt door het afsnijden voor het GENORMALISEERDE FORMAAT.

  • De meest gebruikte formaten: DIN – reeks formaten, vooral in Europa

  • Verenigde Staten: het gebruikelijke QUARTO – formaat.

  • DIN: afkorting voor DEUTSCHE INDUSTRIE NORM, genormaliseerde formaten in gebruik sinds 1922. zie voorbeelden p.53.

15. Illusies. (p.54-56)


  • Er zijn illusies van verschillende aard:

    1. Illusie op gebied van lijnen en vormen. : MULLER _ LEYER – illusie: p.54

    2. Illusie op het vlak van evenwijdigheid: p.54

    3. Perspectief – illusie: p.54

    4. Illusie in contrasten zwart – wit: een licht voorwerp lijkt groter dan een donker gekleurd van dezelfde omvang en grootte.

    5. Illusie in kleurcontrasten: op een donker gekleurde achtergrond zal een figuur helderder lijken, ook wanneer deze laatste warmer van tint is. Ook identieke grijswaarden ondergaan een optische wijziging naargelang ze geplaatst zijn tegenover een warme of koude kleur.

    6. Lichtcontrasten: p.55

    7. Illusie in de kleurwaarneming: het fenomeen BERZOLD: het optisch effect dat ontstaat wanneer twee naast elkaar liggende kleuren gescheiden worden door niet – kleuren (zwart en wit). Het kleuren gedrag is een zuiver visueel verschijnsel dat door kinderen vaak zeer spontaan wordt omzeild.

    8. Ambigue voorstellingen: p.55

    9. Vormillusies: p.56

    10. Onmogelijke figuren: p.56


16.Symboliek (p.57-60).
Zie voorbeelden p.57-60.
17. Grafisch technieken (p.61-84).


  • Alle ontwerpen hebben als belangrijkste doel hun boodschap of informatie. : de communicatie

  • De opdrachtgever speelt hierbij een determinerende rol.

  • Publiek en maatschappij spelen een fundamentele rol aangezien de grafische ontwerper zich op het publiek afstemt.



17.1 Smart of ontwerp gewikt en gewogen.


  • Bedrijfswereld stelt kwaliteitszorg op een hoge plaats. Dus lijkt het nuttig een poging te wagen tot het formuleren van wat “ontwerpkwaliteit” kan zijn.

  • Voor de beoordeling van een ontwerp kunnen we een SMARTformule hanteren: hierbij worden kwaliteiten beoogd die de beoordelingscriteria vormen van actuele gesprekspartners.

    • S imple = eenvoudig

    • M easurable = meetbaar

    • A chievable = haalbaar in tijd en budget

    • R ealistic = realistisch

    • T imed = gepland

  • Naast een inherent aan de COMMUNICATIEVE KWALITEIT , is er de VISUELE KWALITEIT. Zij wordt op haar beurt bepaald door verschillende beeldkwaliteiten:

    • KWALITEIT VAN DE BEELDIDEE: niet alleen vorm telt, ook de inhoud.

    • BEELDKWALITEIT: fotografische of illustratieve kwaliteit, de leesbaarheid van het beeld. Is de gekozen stijl in functie van de doelgroep?

    • TYPOGRAFISCHE KWALITEIT: leesbaarheid, een modieuze letter heeft een andere betekenis dan een zakelijke letter. Houdt de letterkeuze rekening met de factoren als beeldveld, beeldomgeving, leesafstand en inhoud. Typografische componenten: witverdeling, ritme, grijswaarde, contrast,optische werking.

    • KLEURKWALITEIT: het beoordelen van de kleurkwaliteit van het latere drukwerk begint reeds bij de beoordeling van de dia’s, illustraties, … . Is het kleurgebruik in functie van de leesbaarheid? Keuze voor een steunkleur?

    • (BEELD-)TAALKWALITEIT: klare taal vraagt klare vormgeving (en omgekeerd). In dit domein ontsnapt het beeldtaal er evenmin aan.

17.2 Het grafisch proces of prepress.


  • elk ontwerp moet diverse stadia doorlopen van ontwerper tot verspreiding.

  • We kennen ook de elektronische grafische procedure. Men noemt dit ook PREPRESS. (zie Prepress – schema p.63)


17.2.1 Het offsetprincipe.


  • Het geïnkte beeld wordt overgezet (“offset”) op een rubberen rol of een rond een metalen cylinder opgespannen rubberen doek.

  • Het onleesbare beeld wordt van het rubber op het papier overgebracht. Zo komt het kwetsbare papier nooit in contact met de drukplaat, en omgekeerd, de dunne plaat krijgt geen slijtage door het schuren van het papier.

  • Voordelen van de offset:

  1. snelle en hoge oplagen mogelijk in zeer goede kwaliteit van eerste tot laatste druk

  2. hoge reproductiekwaliteit in full – color

  3. bedrukking op alle papiersoorten op voorwaarde van heldere, liefst witte kleur

  • Nadelen van de offset:

  1. geen mogelijkheid om met lichte inktkleuren op donker papier te drukken.

  • Verschil tussen een brochure en folder:

    • brochure: versneden en gebonden en bestaat min. uit één katern.

    • Folder: niet gesneden, gevouwen

  • zie p.63


17.3 Belangrijke grafische terminologie.
17.3.1 Drukmethoden.


  • DIEPDRUK: lijnen en vlakken die men wil afdrukken worden gegraveerd of geëtst in een metalen plaat. Inkt wordt vervolgens onder druk op het papier overgebracht. Vormen van diepdruk : koperdruk, gravure, droge naald, ets,… .

  • HOOGDRUK: de oudste druktechniek. Het principe is dat men datgene wegsnijdt wat men niet afgedrukt wil zien. De niet weggesneden gedeelten worden met behulp van een inktrol ingeïnkt en afgedrukt. (stempel). Vormen van hoogdruk: linosnede, kartonsnede, houtsnede, houtgravure, … .

  • VLAKDRUK: ook lithografie of steendruk. De tekening, gemaakt op een speciale steen of metalen plaat, wordt positief gereproduceerd. Schrijven of tekenen op steen. Tegenwoordig werken drukkers alleen nog met metalen platen. Andere vormen van vlakdruk: monotype ( éénmalige afdruk van een voorstelling).

  • ZEEFDRUK: het grondbeginsel is dat men met een doorlatende voorstelling drukt op een ondoorlatend gemaakt weefsel.het sjabloon wordt aan de onderkant van een fijn gaas (nylon,terylene) bevestigd. Om het sjabloon af te drukken wordt in het frame inkt gegoten. Die wordt met een rubberen rakel over het gaas getrokken, zo wordt doorheen het gaas gedrukt en bereikt de inkt het te bedrukken oppervlak, tenminste op die plaatsen die niet door het sjabloon zijn bedekt. Dit is ook een vorm van vlakdruk.

  • Voordelen van zeefdruk:

    1. de dekkende inkten maken het mogelijk om met lichte kleuren te drukken op een donkere kleur van papier

    2. vrijwel alle materialen kunnen met zeefdruk bedrukt worden

    3. actuele zeefdrukpersen halen net zoals offsetpersen een hoog tempo zodat de techniek in tegenstelling tot enkele decennia terug ook economisch rendeert.

  • Nadelen van zeefdruk:

    1. rasteringen en details zijn mogelijk maar ze halen nooit de fijnheid in resolutie zoals ze in offset haalbaar zijn.

  • De offsetdruk heeft zich ontwikkeld vanuit het principe van de steendruk of lithografie.

  • Offset is de meest gebruikte vorm van vlakdruk.

  • Sinds de jaren ’60 is offsetdruk populair geworden mede door de komst van het elektronisch zetten.

  • VELLENOFFSET: het papier heeft een aan de drukpers doorgaan aangepast formaat. De vellen worden plano gedrukt op de rectozijde of op beid, recto – verso.

  • ROTATIEPERSEN: is het te bedrukken papier op een rol. Vandaar dat we spreken over ROLLENOFFSET. Zie p.66


17.3.2 Proeven , drukproeven.


  • checklist voor aanlevering:

    1. is de tekstkopij grondig gelezen en herlezen voor ze werd doorgegeven

    2. werden alle instructies nauwkeurig aangeduid

    3. zijn de templates nauwkeurig en duidelijk

    4. werden alle bijkomende elementen in de kopij voorzien zoals voetnoten, bijschriften, tussentitels, enz.

    5. is het gekozen lettertype geschikt voor de aard van het drukwerk

  • Eerste proef m.b.t typografie: naast het corrigeren van de tekst is het nodig de kwaliteit van het voorgelegde zetwerk te controleren

    1. werden de zetinstructie gevolgd

    2. past het lettertype inderdaad bij de lay-out

    3. voldoet het visuele beeld van de tekst

    4. zijn er beschadigde, verborgen of overlappende zetelementen

    5. zijn de lijndiktes te zwaar of te lomp

    6. leest de tekst aangenaam en vlot

    7. juist gebruik van kapitalen en onderkasten

    8. zijn paragrafen/alinea’s duidelijk onderscheidbaar

    9. genoeg wit tussen de kolommen

    10. is de gekozen zetwijze overal consequent toegepast

    11. zijn de woordafbrekingen logisch

    12. geen overbodige witruimtes

    13. zijn correcties duidelijk aangebracht

  • Tweede proef : op aan aandachtige wijze controleren of alle correcties werden uitgevoerd en of deze geen nieuwe problemen hebben uitgelokt.

  • Proef m.b.t kleurbeelden: het is nodig om te kunnen oordelen of een kleurbeeld er in gedrukte vorm zo zal uitzien zoals de klant het verlangt. In de meeste gevallen worden tekst en beeld samen op een printerproef aangeboden.

    1. klopt het eindformaat

    2. zijn er geen beschadigingen of vlekken op de rasters

    3. sluiten of passen de afzonderlijke kleuren nauwkeurig

    4. zijn de foto’s juist gespiegeld

    5. zijn er plaatselijke kleurcorrecties of aanpassingen nodig inzake beeldscherpte, resolutie, helderheid,contrast.

  • !!! Eens dat de opdrachtgever een drukproef of proefdruk heeft gedagtekend als “GOED VOOR DRUK”, kunnen nog wel correcties doorgevoerd worden, echter niet meer ten laste van de drukker!!!

17.3.3 Correcties.


  • ZETFOUTEN: fouten gemaakt door de zetter. Brengen geen extra kosten mee.

  • BEDRIJFSCORRECTIES: ten laste van de drukkerij. Fouten die tijdens de DTP – verwerking zijn binnengeslopen in de opmaak van teksten en afbeeldingen.

  • AUTEURSCORRECTIES: als de opdrachtgever nog wijzigingen in de tekst wil doorvoeren.

  • FLEXOGRAFIE: druktechniek die is afgeleid van zowel hoogdruk - als het offsetprincipe. De platen zijn van rubber en het beeld ligt verhoogd.

  • Voordelen van flexografie:

    1. betrekkelijk goedkoop

    2. hoge snelheden mogelijk

    3. veel gebruikt voor verpakkingsdrukwerk op cellofaan, plasticzakken, metaalfolies

  • Sterke concurrent geworden voor de offsetdruk.

  • GROOTMONTAGE – GRAFISCHE (BOEK)STRUCTUUR: cover eventueel met coverwikkel:

    • Schutbladen

    • Franse pagina: hier geen opdruk

    • Titelpagina: enkel titel, eventueel auteur

    • Kateren (waarin hoofdstukken met titelstructurering) (binnenwerk)

    • Colofon: laatste pagina van katern

  • HUISSTIJL (CORPORATE DESIGN): het geheel van de visuele presentatie van een onderneming. Woordmerk, logo, embleem, bedrijfssymboliek,opmaak. Is dus VISUAL MANAGEMENT.

  • Alle aspecten worden vastgelegd, beschreven en opgelegd in het HUISSTIJLBOEK.

  • ILLUSTRATIES: kunnen voorkomen in de vorm van tekeningen en foto’s. kunnen volledig afgedrukt worden als een aflopend beeld of als fragment afgedrukt worden in een vrijstaand beeld.

  • Zwart-wit foto’s kunnen als halftoon zowel monotoon, duotoon als duotint gedrukt worden.

  • CHROMO, FULL-COLOR, 4-KLEURENDRUK: gereproduceerde kleuropname.

  • Zie ook voorbeelden p.70

  • En verder tot p.84







Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©atelim.com 2016
rəhbərliyinə müraciət